Start-up

Philip: ‘Ik begon het bedrijf direct met een partner. Een door de wol geverfde ondernemer. Die had ik nodig, want ik kwam uit Unilever, had daar meer dan één secretaresse, en allerlei middelen ter beschikking. Dat viel allemaal weg. Die partner was dus heel anders en we vulden elkaar prima aan. Onze focus was reststoffen-management en onze eerste klant werd Flexibox. Die noemden we Klant 0001, dus daar sprak al de ambitie uit om richting 9999 klanten te groeien. Daar moesten we zelf wel om lachen, maar nu hebben we bijna 15.000 klanten, dus eigenlijk waren we nog een nulletje vergeten. Flexibox maakte metalen koppelingen en kleppen, kwam via via, was klein en daardoor ideaal om alles goed in te regelen. Klant 0002 was een fors onderdeel van Unilever. Dat werd voor ons toen een heel grote klant.

Ik woonde in zo’n Rotterdamse kubuswoning. Een andere kubuswoning kwam leeg, wilde niemand kopen en bouwden we om tot kantoor. Maar mijn compagnon had een jaar gezeild en wilde toch eigenlijk terug naar die sector, dus hij vertrok. Jörgen kwam als vijfde of zesde medewerker. In hem heb ik opnieuw iemand gevonden die mij goed aanvult. Hij ging de energiepoot opzetten.’

“Ik begrijp echt niet wat jij hier komt doen”

Jörgen: ‘Dat opstarten bleek lang niet makkelijk. Ik dacht: Philip en zijn team hebben al klanten. Dus die zullen wel blij zijn dat nu ook de energie aangepakt kan worden. Maar energie viel vaak onder een heel ander persoon, en die zei: “Ik weet hoe alle installaties hier werken, dus ik begrijp echt niet wat jij hier komt doen.” En ik had natuurlijk ook geen idee hoe hun installaties werkten. Dus ik ging van alles doen om inzicht te krijgen in de situatie van de klant. Soms liep ik TL-buizen te tellen en te lezen wat het vermogen ervan was. Mijn eerste klant werd ziekenhuis Hilversum. Achteraf niet zo’n handige keuze, want ziekenhuizen zijn heel complex.’

Philip: ‘Toch kwamen al na een jaar of vijf veruit de meeste inkomsten uit de energiehoek. Het budget voor energie is wel tien keer zo hoog als dat voor reststoffen. Dus wij verlegden de focus helemaal naar energie: meer milieu-effect en meer business-kansen. Maar duurzaamheid was toen wel typisch een onderwerp van “het alternatieve circuit”. Men werkte het liefst met stichtingen. Non-profit was goed, winst was “vies”. Terwijl onze visie toen al was: groen en gezonde business samen laten gaan.’
 

Directieduo

‘De verschillen tussen ons zijn gelukkig groot’

Philip: ‘Jörgen en ik doen niet veel dingen samen. Wij zijn heel verschillend en daardoor complementair.’

Jörgen: ‘Als wij door het bedrijf lopen, of gesprekken voeren, dan vallen ons heel andere dingen op.’

Philip: ‘Samen bestrijken we een groot oppervlak. Ik kijk graag heel ver vooruit en wil daar vandaag nog zijn. Jörgen legt me dan uit dat dat niet gaat. En werken met teams, daar is Jörgen veel beter in. Maar op een diepere laag zitten diverse overeenkomsten. Wij hebben ongeveer hetzelfde wereldbeeld. Zien het belang van kijken naar de visie, naar de lange termijn. We kunnen volhouden en doorzetten om die visie te realiseren. Waarbij we onderweg zeker oog hebben voor nieuwe dingen en die omarmen. Dat vraagt om te blijven ontwikkelen. Ook op persoonlijk vlak. En dan kun je dus 28 jaar goed samenwerken, wat vrij zeldzaam is. Ons bindt die uitdaging van echt voor Paris Proof-gebouwen werken, én jezelf en INNAX ontwikkelen en uitdagen.’

Jörgen: ‘Zou je twee dezelfde mensen hebben, dan was het veel saaier en zou je elkaar ook eerder in de weg zitten. Wij lopen elkaar niet voor de voeten. De basis is vertrouwen. We maken afspraken en houden ons daar goed aan. Natuurlijk zijn er wel meningsverschillen, maar die bespreken we dan snel. Dat is belangrijk.’

Philip: ‘Ja, er wordt flink gediscussieerd. Dat kan ad hoc als er iets speelt. Maar in principe hebben we daarvoor eens in de zes weken onze Benen Op Tafel Sessies, BOTS. Daarvoor maken we geen agenda en geen actiepunten. Het heet niet voor niets BOTS.’

Eerste ontmoeting

Alsof een filmregisseur het bedacht: de eerste ontmoeting van Philip en Jörgen was op een housewarmingparty. De ironie daarvan bleek pas veel later, toen duidelijk werd hoeveel invloed ze zouden krijgen op de warming van houses. Maar het gesprek dat ze op die party voerden, in 1994, staat nog scherp op hun netvlies.

Jörgen: ‘Ik zag een zeer enthousiaste Philip, die met zijn bedrijf echt iets wilde bereiken voor het milieu, met de focus op hergebruik van reststoffen. Ik zei: “Dan moet je toch ook iets met energie gaan doen.” Hij nam even later contact op en draaide het om: “Is het dan niet beter dat jij dat zelf gaat doen? Dan kom je bij ons om een “unit energie” op te bouwen.” Dat zag ik meteen zitten. Want dat lag precies in de lijn van mijn twee studierichtingen (elektrotechniek en bedrijfskunde) en mijn duurzame drive.’

Dit is deel 2 in de interviewreeks
met Philip en Jörgen over 30 jaar INNAX.

Het eerste deel lees je hier.